Naar toetsen.
Leeswoordenschat
We spreken van leeswoordenschat, omdat het gaat om woorden die in hoofdzaak via lezen worden geleerd. Vanaf het moment dat het kind gaat leren lezen, komt de woordenschatuitbreiding steeds in grotere mate tot stand door geschreven taal.

Woorden zijn eigenlijk de inhoud van de taal. een woord is eigenlijk een klak(vorm), die verwijst naar een bepaald begrip (beeld) in het geheugen. Deze begrippen (woorden) vormen iemands kennis van de wereld
Het woord boom verwijst naar het begrip
in het geheugen.
De woordenschat ontwikkeling is eigenlijk een uitbreiding van de begrippen en de relatie tussen de begrippen. Een voorbeeld:
Een klein kind zal bij het begrip water denken aan drinken of dorst
Het oudere kind legt mogelijk de relatie met de begrippen milieu of irrigatie.
Het netwerk van relaties zal, naar mate het kind ouder wordt, steeds groter worden. Voor een kleuter is een paard een grot beest met vier poten. Daarom zullen sommige kleuters een ezel ook een paard noemen.
Een kind zal ook moeten leren dar de betekenis van een woordafhankelijk is van de zin waarin het wordt gebruikt. De bank waarop je zit is een andere dan de bank waar je geld haalt. Wat minder tastbaar (abstracter) het woord bus in combinatie mat beschuit of vervoer. een kind moet dus stap voor stap van ieder woord de (verschillend) betekenis(sen) leren ontdekken.